De teloorgang van het Leuvense frietkot

Als je het station uitstapte was je in de zo vertrouwd aandoende en tegelijk al zo exotische sfeer van het andere land, waar je zelfs bij de eenvoudigste zin meteen door de mand valt als ‘Ollander (“wablief?” is de eerste reactie als je iemand op straat aanspreekt over waar iets is – dat had ik in de begintijd nogal eens).

Leuven, eerste universiteitsstad van de Lage Landen, net als Leiden nooit heel groot geworden, inmiddels wel hoofdstad van een provincie, “Vlaams Brabant”, want de overheid dient uit te dijen als nationalisme en chauvinisme heersen. Maar we waren er voor de universiteit, althans de Liefste. Ik heb er wel het een en ander in de bibliotheken bijeen kunnen snuffelen. En verder zijn er Waarachtige Academische Boekhandels zoals ik ze in Nederlandse universiteitssteden niet meer kan ontwaren. Leuke studiestad op maat. En we hebben er radio gemaakt. Niet lang, maar toch – bij SCORPIO, het eerste legale vrije radiostation van België. Laat ik het daar nu maar niet over hebben, voor dat soort dingen zijn de Feestdagen misschien goed – de prent van de studio nu laat mij zien dat er in al die jaren niet veel veranderd is.

Bij het station was een frietkot. Het was alleen al te herkennen aan de enorme plastic zak met geschilde aardappelen tegen de zijwand. Geen misverstanden. Het frietkot is weg. Maar er waren er meer.
Destijds vonden wij dat het uitgaansgebied zich voorbij de Sint-Pieterskerk en het stadhuis bevindt. Eigenlijk een jammerlijke vergissing. Leuven heeft zoveel tapperijen dat je nauwelijks van één uitgaanscentrum kunt spreken. Of het moest de Oude Markt zijn, waar helaas niets meer oud is nadat de Duitse bezetter het in de Grande Guerre verwoest heeft, met de verderopgelegen universiteitsbibliotheek. De joods-christelijke beschaving kwam langs.

Onder aan de Sint-Pieterskerk bevond zich de frituur van W. Smaelen, voor de informele maaltijd na het innemen in een staminee in de buurt. Ik mag dan wel vegetarisch zijn, maar nieuwsgierigheid wint het. “Doet u er maar een curryworst bij”. Bij de frietjes. In Nederland moet lomp en grof “Vlaamse frites” gezegd of geschreven worden, alsof ze in Wallonië anders zijn. Bij het Belgisch culinair erfgoed spreekt men bescheiden van frietjes. Curryworst bleek wat in Nederland als frikandel door het culinaire leven gaat. De verrassing zat in de naam. Wat vol-au-vent is zou ik nog steeds niet weten en ik ga het niet nu even speciaal voor dit stukje nakijken. Het was een saus met stukjes dood dier er in, hoen vrees ik. Maar de verleiding tot de zonde is er niet meer (wij gaan ongeveer jaarlijks op bedevaart naar deze academiestad met haar zusterstation van de radio waar wij elkaar hebben leren kennen, in Amsterdam dan).
Met alle andere frietkoten (het meervoud is ook even wennen) is Smaelen onder de kerk weg.

Wetgeving die blijkbaar alleen in Leuven geldt: frites moeten bereid worden in een stenen gebouw, vanwege het brandgevaar. Waarom het overal elders wel in een houten/aluminium optrekje kan wordt er niet bij verteld. Er hangt een geur van kleine of minder kleine corruptie om deze regel, maar allez – daar heb je de politiek voor. In België weet men dat al zoveel langer en haalt men er op goed-katholieke wijze de schouders over op.

Toch jammer, die frietkoten. Maar aan eten kun je verder toch wel komen.

Het Nieuwsblad komt mij ter hulpe met een beeldverhaal van wat er niet meer is.
Pink een traantje mee.