Rondgang langs vertrouwde plaatsen in het duin

Het is lichtelijk beangstigend dat men in de boerenbuiten rustig hele verhalen over de dictatuur van Rutte en het WEF en de Great Reset, waarbij corona een Complot is, in het eigen vensterraam plakt. De Nederlandse driekleur op zijn kop hangt. Voor de coronacrisis merkte ik op dat in Noord-Holland benoorden het IJ velen de Friese vlag hadden uithangen. Het zal iets te maken hebben gehad met “boeren”- acties en zwarte piet, vrees ik. Dat Holland boven het IJ iets Fries heeft kan men denken, maar er is behoorlijk oorlog om gevoerd om het juist niet Fries te doen zijn, ook al heet een deel Westfriesland.

Realiteitsverlies, rechts maar ook links, zou het toch nog van de televisie komen of tv-achtige apparaten? Dat linkse realiteitsverlies treft mij in meer dan een betekenis het zwaarst, ik weet niet of ik het daar nou eens over zal hebben. Nu niet.
Die ultrarechtse onzin en het besmuikte antwoord erop op een ANWB-paddestoel zoals hierboven te zien kom ik tegen bij een rondgang langs vertrouwde plaatsen in het Noordhollands duin. Als je er nog maar een keer per jaar enkele dagen bent is er veel eender en anders dan wanneer je er drie seizoenen wekelijks komt. De appelboom die op den duur geen appels meer had, langzaam afstierf en nu nog een staak is waarlangs allerlei nieuwe struiken meidoorn opduiken.

Duinmeertjes die verlanden tot rietvelden, tenzij ze groot genoeg zijn, ondergelopen paraboolduin dat echt meer wordt.

Een opvallend verlies is het zichtbare verdwijnen van de konijnen. In de avondschemering waren ze volop te zien, en als je ze niet zag waren er de holletjes waar ze hun keutels deponeerden. Helemaal niets meer van gezien dit jaar. Het is natuurlijk waar: als ze terug komen zullen ze ook volop terugkomen, maar vooralsnog nemen de Schotse Hooglanders, de koniks en schaapskudden de taak over die konijnen met terugwerkende kracht is toegekend: het openhouden van het duin, tegen de onvermijdelijke landschapsclimax van wilgen en haagbeuken. Toen de konijnen nog als import vervloekt werden had men het er niet over. Er werd wel op gejaagd door heren met hun jachtsloten verspreid doorheen het duin, en er werd gestroopt door de armen die er in hadden te berusten dat het duin geen gemeengoed (meer) was. Nu is alles weer anders.

Hoe redden de vossen, wezels, hermelijnen, bunzings zich zonder het konijn? Ook van hen heb ik geen spoor gezien, wel stootvogels die wellicht een konijnebout niet zouden versmaden. Ook reigers zouden er wel raad mee weten, ook al is het dan een uitzondering. Deze zat op een plaats waar ik eerder wel hazen en kraaien heb zien hoppen.

Een waarachtige lieu de mémoire voor mij is de Abdij van Egmond. Ik heb er een keer enkele dagen doorgebracht, toen ik een zomerhuisje aan de rand van het duin had ging ik regelmatig naar de completen. Het is aan het wegzakken, maar de psalmen die er vast in voorkomen kon ik in gedachten meezingen. De mooiste avonden waren die waarop je daarna nog even het duin in kon fietsen om de stilte met vogelzang in je op te nemen (dat laatste niet in augustus, als de vogels stil zijn).
Vorig jaar kocht in de boekhandel verbonden aan de abdij de Nederlandse biografie van Dorothy Day. Er is een band tussen de abdij en de Catholic Worker, die wel heel plastisch wordt uitgedrukt door deze steen in de abdijtuin.

Ik kon het niet weerstaan een van de exemplaren van Kees van Kootens Tachtigjarige Vrede te kopen in de winkel. Moet nog zien of er een Worsteling Met Het Geloof in voorkomt. Hij wordt geboren in een katholieke kliniek, maar “wij waren niets”. Dat is ook wat.

De konijnen verdwenen, er kwamen (soms) hazen voor terug, ik heb zelfs eens een ree gezien, en ik mag verwachten dat een ree nooit alleen is. Dat zijn toch nieuwe aanwezigen voor het duin.
Het grote Infiltratiemeer was helder en leeg: nog geen kokerjuffer te zien zelfs.

Maar sinds jaren broeden er aalscholvers in bomen rond het meer, het zijn nogal luidruchtige broeders en de bomen zijn gedoemd. Vissen doen ze in lijnformatie op zee. En inmiddels hebben zich grauwe ganzen en mantelmeeuwen nogal zichtbaar in de omgeving gevestigd. Tot nu toe mogen ze zich hier veilig achten.
Er was een tijd waarin een ontmoeting met een aalscholver heel bijzonder was, voor mijn gevoel niet lang geleden. De Oostvaardersplassen hebben hen, net als de ganzen, doen floreren.

Een typisch duingezelschap: kruipwilg, vleeskleurige duinorchis en ratelaar. In het bos pluizen de populieren.
En het eindpunt van een rondgang is nu eenmaal de zee. Een kiek als deze kun je overal in Nederland maken, als de horizon niet getekend wordt door windturbines.

– Alle illustraties foto AJvdK