We zijn klaar. Het is compleet: we hebben alle musea die we ooit nodig konden hebben. Dat drong opeens tot met door toen ik vanochtend wakker werd, na gisteren in het Holocaustmuseum geweest te zijn.
Voor de mensen die nu meteen ernstig gaan kijken: ik ben ’t gewend, ik kan ermee omgaan, ik heb al eens een week in Auschwitz gelogeerd – ook nog in een hotel pal tegenover de hoofdingang. Dáár had ik toen wel veel last. Hier niet, en ik was in Amsterdam ook al bij de opening geweest. Het was een mooie dag en ik ken de buurt ook goed, daar vlak naast Artis en het Auschwitzplantsoen, al die cafés, de Hollandsche Schouwburg en ook het Verzetsmuseum om de hoek. En mijn geliefde bioscopen Kriterion en Studio K vlakbij — ooit opgezet door een verzetsman. Ja, dit is voor mij een beetje thuis.
Maar goed: met de vestiging van een holocaustmuseum kun je wel stellen dat het Nederlandse museumlandschap helemaal compleet is. We hebben het Rijksmuseum, een speelgoed- en een scheepvaartmuseum, musea voor koken, techniek, bloemen, muziek, klompen, seks, Van Gogh – you name it, we’ve got it.
En eigenlijk is het Holocaustmuseum het tweede in Nederland, en dan ook nog tegenover het eerste. Dat was dan de Hollandsche Schouwburg, de verzamelplaats waar Joden – incl. baby’s – werden samengebracht voordat ze naar Westerbork en verder gedeporteerd werden. Over ‘en verder’ gesproken: als je richting het Tropenmuseum gaat, kom je over de Jules Schelvisbrug – hij was ongeveer de enige Nederlandse overlevende van kamp Sobibór en wijdde zich met succes aan het verbreiden van de geschiedenis van dat kamp. Ook daar ben ik enkele keren geweest.
Ik had een paar delen van het museum nog niet goed gezien, vandaar dat ik er gisteren heen ging, en ik ben ook nogal druk met een geval van Holocaustontkenning. Nog wel door een ander, veel en veel groter museum: oorlogsmuseum Overloon, bij Venray. Dat presteert het om op hun websites niet één keer, dus NUL keer de termen ‘nazi‘ of ‘Holocaust‘ gebruiken. En om festivals te organiseren die bijv. hoogleraar Kees Ribbens van het NIOD aanduidt als ‘naziverheerlijking‘. Nou, proost!
Niet alleen laat het museum deze ‘gevaarlijke’ termen weg, ze huren ook nog ’s eind augustus 50 namaaknazi’s om een namaakoorlog op te voeren. Helaas zijn dat alleen géén neutrale acteurs die de ene dag een straatveger en dan een generaal of pater spelen, maar echte liefhebbers van nazispullen, verzamelaren die in hun weekends vrijwillig als nazi’s verkleed rondlopen. Onbegrijpelijk, en uiteraard onaanvaardbaar.
Terugkijkend daagt het me deze ochtend dat een bord met daarop Holocaustmuseum, en een goedgevuld gebouw met een echte hal met kassa en allerlei bewakers daarachter, verreweg het beste argument is tegen Holocaustontkenning. Hoe zou er een Mauritshuis kunnen bestaan zonder Maurits? Een fotomuseum zonder…? Een automuseum? Diverse naaimachinemusea of een Zuiderzeemuseum?
Goed: mijn bezoek was klaar, ik had de foto’s gezien, de teksten gelezen en kwam om vijf uur weer buiten, pratend met een publieksmedewerkster die net naar huis ging. Pal voor het museum staat een gemeentelijk hek bij de rand van de stoep om te voorkomen dat bezoekers het drukke fietspad op stiefelen. Daaroverheen geleund stond een vrouw met een blote rug, waaroverheen één dun bandje zat, gestrikt met een klassieke lus. Ik glimlachte en maakte meteen een foto.
Maar mijn begeleidster reageerde juist een beetje bezorgd: ‘Maakt u daar nou echt een foto van?’ ‘Ja’ zei ik, ik word daar vrolijk van.
En nu, deze ochtend ik bedenk dat het precies is wat een mens als ik op zo’n moment nodig heeft na de dood en verdoemenis van het museum: leven, leuke vrouwen, zon op een blote rug, vrolijkheid. En doe me ook maar meteen een vol, gezellig caféterras pal aan de overkant. En dat zit daar dan ook nog…
Wie verstandig is, bezoekt het Holocaustmuseum en gaat daarna weer door met leven. Dat is namelijk de bedoeling.
– Uitgelichte afbeelding: Door Ceescamel – Eigen werk, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=144776941
