Zo rechts als de pest – ik vraag mij af of Jeroen Brouwers dit over Godfried Bomans schreef vanwege de affaire rond de Rode Jeugd. Dat clubje, anderhalve man en een ezelskop, had in een pamflet opgeroepen allerlei gebouwen in de fik te steken, met adres van de Rode Jeugd er bij op het pamflet. Bomans zag het en vond het nogal gewelddadig (dat was ook de pretentie van de Rode Jeugd, “zaterdagmiddagrevolutionairen”). Hij gaf het aan bij de politie en kreeg daarom de literaire meute over zich heen: hij had zomaar het adres van de RJ aan de politie doorgegeven. Alsof het niet op dat pamflet stond en alsof De Dienst de club niet in de gaten hield. Bomans probeerde het daarna goed te maken en bezocht een paar keer bijeenkomsten in het gebouw van de Open Religieuse Gemeenschap aan de Amsterdamse Raamstraat. Een gebouw dat multifunctioneel was geworden, het honk van de christen-anarchist Année Rinzes de Jong. De PSP vergaderde er ook en ik heb er zelf scholingsavonden van de Federatie van Vrije Socialisten meegemaakt. Bomans bleef benauwd over de dreiging van het obscure clubje (ja, ik heb ze gekend, ruim vijftig jaar geleden, en moet ik er dan echt liefhebbend over schrijven?). Tot op Rottumerplaat aan toe, waar hij eenzaam en bedreigd een doelwit dacht te zijn. Ocharme.
De literaire meute – uit de biografie Vleugelman maak ik op dat Bomans tot de RJ-affaire bevriend was met stadgenoot Mulisch. Dat verraste mij nogal, want Mulisch hoorde uitdrukkelijk tot de linkerzijde. En Bomans niet? Nee, ik meen zijn positie hier al eerder te hebben weergegeven – niet links, niet rechts, en dat is in zijn geval geen sleuteltaal tot het niet toegegeven ultrarechts zijn. Hij was in politieke zin zijn eigen man. Dat werd door Het Publiek zeer gewaardeerd en dan ben je in Literááre Kringen verdacht – zie ook Jan de Hartog en cursiefjescollega’s van Bomans Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. “Dat is geen literatuur” moest je op de middelbare school vernemen. Stel je voor dat iemand zo maar goed en begrijpelijk kan schrijven, zeg, zonder Lagen.
Er zijn van die kleine postuum uitgegeven boekjes van Bomans met korte stukken, ik zie er altijd wel in de kringloopwinkel. Ik kijk ze in en vind er altijd een paar stukken in die niet in de bij zijn leven verschenen bundels hebben gestaan. Dus koop ik ze voor een euro en lees, meestal met herkenning en een enkele keer verrast. Zo het verhaal over Oom Karel – ik kan mij afvragen of hij een echte oom was, de biografie vermeldt daar niets over. Karel werd begin vorige eeuw steeds artistieker en hij ging tenslotte in een hutje op het terrein van Van Eedens kolonie Walden wonen. Walden werd het niet, evenmin als de kolonie van de christen-anarchistische Internationale Broederschap. Bomans heeft er een even eenvoudige als doeltreffende verklaring voor: de betrokkenen waren intellectuelen, geen ambachtslieden of boeren. Ik vond het opmerkelijk dat de schrijver van mijn jonge jaren zomaar een voordracht had gehouden over Mijn Onderwerp. Daar ben ik pas zeer onlangs achter gekomen. Dit thema komt terug in een andere bespreking die op stapel staat.
Hoe rechts als de pest ben je als je aangesloten bent bij een initiatief tegen de atoombom? Tekende voor steun aan het Defense & Aid-fonds tegen de apartheid in Zuid-Afrika? En iets wat mij destijds ontgaan is: mede-ondertekenaar van een oproep de uithongering van Biafra te staken – die ten dienste was van aard- en palmoliebelangen. Kijk, daar was ik politiek bij betrokken, nog als tiener zowaar. Hulde, Godfried Bomans (Simon Carmiggelt had wel een voorwoord geschreven bij het boek uitgegeven door het Biafra Actie Comité).
Tja, en dan de levensloopbeschrijving. Bomans’ biograaf stelt het een en ander aan verdichtselen vast in de persoonlijke stukken van later jaren. Wat hij allemaal aan bronnen heeft doorgewroet, ik kan het nauwelijks bevatten en ik zou denken dat hiermee wel de definitieve biografie is geschreven, wat ik van allerlei Nederlandse biografieën vaak niet het geval vind. Er zijn ook dingen waarvan ik meen dat het de lezer(es) niet aangaat: Bomans ging vreemd, meervoudig en meer dan de constatering vind ik niet zo nodig. Brieven aan Die Anderen, wat moet ik er mee? Dat hij onderduikers in huis had, ook weer hulde, en dat hij zeer sceptisch was over het verzet dat plotseling na de bevrijding opdook (mijnheer Hazelnoot, kom op zeg, die naam kunt u toch herleiden al doet de biograaf er niets mee?) – nogmaals hulde.
Ik vind het jammer te vernemen dat Bomans de serie verhalen over Pa Pinkelman en Tante Pollewop met tegenzin voltooide. Hij stond hiermee op de hoogte van Toonder en de combinatie Kuhn/Werkman van Kapitein Rob, waar Bomans gezien zijn kapitein in Pim, Frits en Ida op zijn minst kennis van moet hebben genomen (benevens Haddock – ach, dat is toch allemaal geen Literatuur!).
Een grote pil over een geliefde schrijver die maar beter niet geliefd mag heten. U bent gewaarschuwd.
– Gé Vaartjes, Vleugelman – Godfried Bomans 1913-1971. Amsterdam/Antwerpen: Querido Facto, 2025. 824p, €45,-