De Globaliseringsparadox van Rodrik (2/2)

Waarom De Globaliseringsparadox van Dani Rodrik een lezenswaardig boek is, heb ik besproken in deel 1. De argumenten voor de globaliseringsparadox zelf zijn nog niet ter sprake gekomen.

In hoofdstuk 9 besteedt de auteur aandacht aan de Argentijnse economische crisis van de jaren negentig.

Het land was gestuit op een van de fundamentele waarheden van de mondiale economie: nationale democratie en vergaande globalisering gaan niet samen. […] In de ogen van de financiële markten werd het lot niet bezegeld door wat Cavallo en De la Rúa [opeenvolgende ministers van economie] deden, maar door wat het volk bereid was te accepteren. Investeerders en crediteuren geloofden steeds minder dat het Congres, de provincies en gewone mensen genoegen zouden nemen met het soberheidsbeleid.

Aan de hand van dat voorbeeld postuleert Rodrik zijn trilemma: of we kunnen democratie inperken om de internationale transactiekosten zo laag mogelijk te houden; we kunnen globalisering inperken, in de hoop in eigen land de democratische legitimiteit te versterken; of we kunnen democratie globaliseren, ten koste van nationale soevereiniteit.

De hyperglobalisering uit deze periode in Argentinië is min of meer een terugkeer naar het verleden. Ten tijde van het imperialisme waren grote delen van de wereld gekoloniseerd en binnen de verbanden van kolonisator en gekoloniseerden waren er geglobaliseerde ‘werelden’, zoals Rodrik in zijn historische exposé heeft beschreven. De kolonisator handhaafde de spelregels van de open grenzen en de bescherming van de rechten van zijn imperialistische handelaren en investeerders. Zo’n ondemocratische, knechtende globalisering is echter moeilijk langdurig te realiseren voor ontwikkelde maatschappijen.

Rodrik gaat vervolgens in op een eventuele mondiale democratie. Als je logisch doorredeneert, kun je je een vorm van vorm van mondiaal federalisme voorstellen. Maar kijkend naar de EU is het al uiterst lastig om met landen die qua inkomensniveau en geschiedenis niet te ver van elkaar af liggen een democratische unie op te bouwen. Het gaat met horten en stoten en nog steeds kenmerkt de EU zich door een flink democratisch deficit. Mondiaal democratisch bestuur acht Rodrik voor de komende eeuw nog een luchtkasteel.

Als laatste zou je globalisering kunnen inperken. Die optie heeft Rodriks voorkeur. Hij stelt (hoofdstuk 11):

Democratisch bestuur en politieke gemeenschappen zijn grotendeels georganiseerd binnen natiestaten, en dat zal in de nabije toekomst denkelijk zo blijven.

Maar hij onderschat de noodzaak tot handel en de daarmee gepaard gaande globalisering. In hoofdstuk 3 heeft hij David Ricardo’s comparatief voordeel aangehaald. Landen kopen wat goedkoop is in het buitenland maar duur in het eigen land. Zelfs als twee producten goedkoper zijn in een bepaald land dan in een ander land, geldt het comparatief voordeel nog: een land zal het meeste voordeel behalen wanneer het zich toelegt op dat product dat het relatief het goedkoopst kan produceren. Comparatief is hier het sleutelwoord. Maar Ricardo postuleerde dit in 1817, een tijd waarin landbouw zowat gelijk aan de economie was. In zijn voorbeeld ruilde Engeland wol met Portugese wijn. Maar tegenwoordig zijn bepaalde producten zo onmisbaar dat de idee van comparatief voordeel een understatement is. Zo bezitten de meeste landen in Europa nauwelijks energiebronnen. Hoe zouden ze economisch kunnen overleven zonder import van energiedragers? Handel is geen keuze maar noodzaak. Wat gebeurt er echter wanneer bepaalde landen de troeven in handen hebben bij onderhandelingen? In Rodriks eigen woorden (hoofdstuk 11):

Als internationale samenwerking ‘slaagt’, weerspiegelen de regels vaak vooral de voorkeuren van machtiger staten, en zijn ze niet afgestemd op de situatie van andere. De WTO-regels over subsidies, intellectueel eigendom en investeringsmaatregelen (TRIM’s) zijn typerend.

De keuze van de meeste natiestaten is beperkt. Slechts de machtigste – de VS, Rusland – kunnen zich onttrekken aan de dwang die internationale samenwerking met zich meebrengt. Zo is Brexit van het Verenigd Koninkrijk een interessante casus. Is Engeland – Engeland bepaalt het lot van de andere Britse delen – sterk genoeg om Brexit geen fiasco te laten worden? Ik vrees voor de Britten.

In het kader van een uitweg uit het trilemma heeft Rodrik weinig aandacht voor de EU. Hij merkt slechts op dat de EU de enige uitzondering is op de regel dat nationale overheden niet veel bevoegdheden zullen willen overdragen aan transnationale instituties. Dit is een omissie in het boek. Tussen mondiaal bestuur en de aloude natiestaten is regionale samenwerking een tussenweg. Ook in Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië bijvoorbeeld bestaan er regionale economische samenwerkingsvormen. Weliswaar staan die nog in de kinderschoenen in vergelijking met de EU, er is evenwel een begin. En de EU kent inderdaad veel gebreken maar behalve de Engelsen wil geen land de EU verlaten. Iedereen realiseert zich hoe zwak, vooral economisch, een land in de wereldpolitiek staat zonder samenwerking in de unie.

De presidentsverkiezingen in Frankrijk waren voor de toekomst van de EU een testcase. Frankrijk is interessant omdat dat land onder François Mitterrand en zopas onder François Hollande aanvankelijk een eigen linkse koers poogde te voeren tegen de globaliseringstrend in. Dat is tweemaal mislukt. Daarmee is het idee van het primaat van de natiestaten van Rodrik nagenoeg weerlegt. Vanwege het sterke spanningsveld in dat land tussen nationalisme en globalisering waren de Franse presidentsverkiezingen voor mij een trigger om De Globaliseringsparadox te lezen. Rodriks beschouwingen bleken interessant maar zijn ‘oplossing’ een stuk minder.